Anesthesiologie

Op deze pagina vindt u informatie over de verdoving (narcose) tijdens en na de operatie.

Voor het maken van een afspraak belt u (0299) 457 534 (preop-poli).

Algemeen

Anesthesiologie richt zich op narcose (verdoving) tijdens en na de operatie.

Anesthesioloog
Een anesthesioloog is een arts die gespecialiseerd is in de verschillende vormen van anesthesie, pijnbestrijding en intensieve zorg rondom de operatie. De anesthesioloog is op de hoogte van uw ziektegeval.

Voor uw operatie heeft u een gesprek met de anesthesioloog op de preop-poli. Hij of zij zal u mogelijk vragen stellen over uw gezondheid, welke medicijnen u gebruikt en of u allergisch bent voor bepaalde medicijnen. Zo krijgt de anesthesioloog een indruk over uw gezondheidstoestand.

Tijdens de operatie is de anesthesioloog of de anesthesiemedewerker (assistent van de anesthesioloog) voortdurend bij u. Zonodig kan de anesthesioloog ieder moment de anesthesie bijstellen. Ook zorgt de anesthesioloog ervoor dat uw vochtgehalte op peil blijft en dat u een bloedtransfusie krijgt toegediend bij sterk bloedverlies tijdens de operatie. Daarnaast zorgt hij voor de bestrijding van pijn en misselijkheid na de operatie.

Soorten anesthesie

Er bestaan vier verschillende vormen van anesthesie (verdoving): algehele anesthesie, regionale anesthesie, lokale anesthesie en sedatie. Hieronder volgt meer informatie:

Algehele anesthesie

Algehele anesthesie wordt ook wel narcose genoemd. U wordt voor de operatie in slaap gebracht, waardoor u helemaal niets van de operatie merkt of voelt.

Via een infuusnaald in de arm, of in sommige gevallen met behulp van een kapje,  wordt door de  anesthesioloog het narcosemiddel toegediend. U valt binnen een halve minuut in een diepe slaap. Via de infuusnaald kunnen tijdens de operatie extra vocht, pijnstillende middelen of slaapmiddelen toegediend worden.

U krijgt plakkers op de borst om de hartslag te meten en een klemmetje op uw vinger om het zuurstofgehalte in uw bloed te controleren. De bloeddruk wordt aan de arm gemeten.

Zie ook voorlichtingsfilm 1 en 5 over algehele anesthesie. Op de voorlichtingsfilms kunt u zien hoe algehele anesthesie in zijn werk gaat.

Controle ademhaling
Om de ademhaling tijdens de anesthesie te kunnen controleren wordt in veel gevallen, voordat de operatie begint, een plastic buisje in de keel gebracht. U merkt daar niets van, want u bent dan onder narcose.

Tijdens de operatie
Tijdens de operatie blijft de anesthesioloog of de assistent voortdurend bij u. De anesthesioloog bewaakt en bestuurt tijdens de operatie de functies van uw lichaam. Dankzij de bewakingsapparatuur kan precies worden vastgesteld hoe uw lichaam op de operatie reageert. De ademhaling en de bloedsomloop kunnen zo nodig worden bijgestuurd en er worden medicijnen toegediend om de narcose te onderhouden.

Het wakker worden uit de narcose
U kunt zich zo kort na de operatie nog slaperig voelen en af en toe wegdommelen. Dat is heel normaal. Met het uitwerken van de narcose kan er pijn optreden in het operatiegebied. Door de anesthesie, maar ook als gevolg van de operatie kan er misselijkheid optreden. U kunt de verpleegkundige gerust vragen om een pijnstiller of een middel tegen misselijkheid.

Bijwerkingen
U kunt na een operatie onder algehele anesthesie last hebben van de volgende bijwerkingen:

  • Pijn, misselijkheid, overgeven. Deze bijwerkingen komen vaak voor. Hiervoor bestaan medicijnen;
  • Suf voelen;
  • Kriebelig gevoel achter in de keel of keelpijn kan ontstaan door een buisje dat in uw keel of luchtpijp heeft gezeten tijdens de narcose.
  • Een enkele keer raakt de plek waar het infuusnaaldje zit ontstoken. Meestal is dit een onschuldige reactie, die vanzelf verdwijnt;
  • Dorst. Als u wat mag drinken, doe dan voorzichtig aan. Mag u niet drinken dan kan de verpleegkundige uw lippen nat maken om de ergste dorst weg te nemen.

De verpleegkundigen weten precies wat ze u kunnen geven. U mag er gerust om vragen.

Regionale anesthesie

Bij regionale anesthesie (verdoving) wordt een gedeelte van uw lichaam, bijvoorbeeld een arm of het gehele onderlichaam, tijdelijk gevoelloos en bewegingloos gemaakt. Door een verdovingsmiddel rond een zenuw te spuiten kunnen zenuwen of zenuwbanen tijdelijk worden uitgeschakeld.

Bij regionale verdoving worden de zenuwen die op pijn reageren zo volledig mogelijk uitgeschakeld. Het gevoel verdwijnt soms niet helemaal. Het is normaal als u voelt dat u wordt aangeraakt. Vaak lopen de pijnzenuwen samen met de zenuwen die de spieren laten werken. Die worden met de verdoving ook tijdelijk uitgeschakeld. De spieren raken dan verlamd: ze werken even niet. Als de verdoving volledig is uitgewerkt, hebt u weer de normale kracht en beheersing over uw spieren.

  • Ruggenprik: deze prik, laag in de rug, verdooft uw onderste lichaamshelft. In de rug lopen vanuit het ruggenmerg grote zenuwen naar het onderlichaam en de benen. Deze zenuwbanen worden met een ruggenprik verdoofd. Die prik komt niet in de buurt van het ruggenmerg en dat kan dus niet beschadigd raken;
  • Regionale verdoving: met een andere techniek is het mogelijk om bijvoorbeeld één arm te verdoven. Een arm kan worden verdoofd door de zenuwknoop (plexus) die naar de arm loopt tijdelijk uit te schakelen door rond de zenuwen een verdovingsmiddel in te spuiten, bijvoorbeeld in de oksel of in de hals.

Tijdens een regionale verdoving bent u in principe gewoon wakker. Als dit u niet prettig lijkt, kan de anesthesioloog u tijdens de operatie laten slapen. Dit is geen narcose, maar slaap zoals na het innemen van een slaaptablet. Dit kan wel de opnametijd op de afdeling dagbehandeling verlengen.

In vergelijking met algehele anesthesie, is het belangrijkste voordeel van regionale anesthesie, dat u na de operatie vrijwel niet misselijk bent en minder snel pijn krijgt.

Ruggenprik
U wordt aangesloten op de bewakingsapparatuur. Uw bloeddruk wordt gemeten. Er wordt een infuusnaald ingebracht in een arm. Afhankelijk van de voorkeur van de anesthesioloog wordt u gevraagd te gaan zitten of op een zij te gaan liggen. De ruggenprik is niet pijnlijker dan een gewone injectie. Als de verdoving is ingespoten merkt u eerst dat uw benen warm worden en gaan tintelen. Later worden ze gevoelloos en slap evenals de rest van het onderlichaam. Gedurende de operatie blijft de anesthesioloog of de anesthesiemedewerker bij u. U blijft bij bewustzijn. Van de operatie ziet u niets; alles wordt afgedekt met doeken. Als u toch liever slaapt, dan kunt u om een licht slaapmiddel vragen.

Afhankelijk van het gebruikte medicijn kan het drie tot zes uur duren voordat de verdoving volledig is uitgewerkt. Met het uitwerken van de verdoving kan ook pijn optreden. Wacht niet te lang de verpleegkundige om een pijnstiller te vragen.

Vaak kunt u de benen een tijd lang niet goed bewegen. Ook plassen kan soms problemen opleveren. Deze verschijnselen duren enkele uren. Tijdens de operatie voelt u geen pijn. Als u toch last of pijn heeft, wordt u helemaal verdoofd.

Soms wordt na een ruggenprik een dun slangetje in de rug achtergelaten: een ‘epiduraal katheter’. Via dit slangetje kunnen middelen toegediend worden voor pijnstilling de eerste dagen na de operatie. Soms kunt u zelf de pijnstilling toedienen met behulp van een pompje met pijnstillers.

Bijwerkingen tijdens de ruggenprik

  • Onvoldoende pijnstilling: het kan voorkomen dat de verdoving bij u onvoldoende werkt. Soms kan de anesthesioloog nog wat extra verdoving bijgeven. In andere gevallen is het beter om voor een andere anesthesievorm te kiezen, bijvoorbeeld narcose. De anesthesioloog zal dat met u overleggen;
  • Lage bloeddruk: als bijwerking van een ruggenprik kan een lage bloeddruk optreden. De anesthesioloog is hierop bedacht en zal daartegen maatregelen nemen;
  • Hoge uitbreiding: soms komt het voor dat het verdoofde gebied zich verder dan bedoeld naar boven uitbreidt. U merkt dat doordat uw handen gaan tintelen. Misschien kunt u wat moeilijker ademen. De anesthesioloog zal u wat extra zuurstof toedienen. Meestal zijn de klachten daarmee opgelost;
  • Moeilijkheden met plassen: de verdoving strekt zich uit tot de blaas. Het plassen kan daardoor moeilijker gaan dan normaal. Het kan nodig zijn de blaas met een katheter leeg te maken.

Bijwerkingen en complicaties nadat de ruggenprik is uitgewerkt

Het verdovingsmiddel voor de ruggenprik kan enkele uren gevoelloosheid en verminderde kracht in het onderlichaam en benen geven. Ook kunt u hoofdpijn of rugpijn krijgen.

  • Rugpijn: het komt voor dat er rugpijn ontstaat op de plaats waar de prik is gegeven. Dit heeft te maken met de houding tijdens de operatie. De klachten verdwijnen meestal binnen enkele dagen;
  • Hoofdpijn: na een ruggenprik kan hoofdpijn optreden. Deze hoofdpijn onderscheidt zich van ‘gewone’ hoofdpijn doordat de pijn minder wordt bij platliggen en juist erger wordt bij overeind komen. Meestal verdwijnt deze hoofdpijn binnen een week vanzelf. Als de klachten zo hevig zijn dat u het bed moet houden, neemt u dan contact op met de anesthesioloog. Deze heeft mogelijkheden om het natuurlijk herstel te bespoedigen.

Plexusanesthesie van de arm
De arm kan worden verdoofd door de zenuwknoop (plexus) die naar de arm loopt tijdelijk uit te schakelen door rond de zenuwen een verdovingsmiddel te spuiten, bijvoorbeeld in de oksel of in de hals. Om u tijdens de operatie zo nodig medicijnen te kunnen toedienen krijgt u een infuusnaald in de andere arm. Afhankelijk van de plaats waar u geopereerd gaat worden, krijgt u de verdovingsprik in de hals of in de oksel.

De anesthesioloog prikt nu met een naald op de plaats waar de zenuwen lopen die naar de arm gaan. Als u tintelingen in de arm of de hand voelt dan moet u niet bewegen, maar dat direct zeggen. De anesthesioloog weet dan dat de naald op de goede plaats zit. Het kan ook zijn dat de anesthesioloog een zogenaamde zenuwprikkelaar gebruikt. Met een lage elektrische stroom wordt de zenuw dan geprikkeld. U merkt dat doordat de arm of de hand onwillekeurig beweegt. Het is belangrijk dat u tijdens het prikken stil blijft liggen. Als de naald op de goede plaats zit, spuit de anesthesioloog het verdovende middel in.

Korte tijd later merkt u dat de arm of hand gaat tintelen en warm wordt. Later verdwijnt het gevoel en kunt u de arm en hand niet meer bewegen. Als de verdoving is uitgewerkt keren de beweging en het gevoel weer terug.

De verdoving moet 15 tot 30 minuten inwerken voordat het effect optimaal is. Tijdens de operatie blijft u wakker, maar als u dat liever niet hebt kunt u om een slaapmiddel vragen. Overigens ziet u niets van de operatie: alles wordt met doeken afgedekt.

Afhankelijk van het gebruikte medicijn kan het drie tot zes uur duren voordat de verdoving volledig is uitgewerkt. Met het uitwerken van de verdoving kan ook pijn optreden. Wacht niet te lang de verpleegkundige om een pijnstiller te vragen.

Na een plexusanesthesie van een arm hoeft u soms niet in het ziekenhuis te blijven totdat de verdoving is uitgewerkt. Dat hangt of van de operatie die bij u is verricht. Zolang de arm verdoofd is moet u hem in een draagdoek (mitella) houden.

Bijwerkingen en complicaties

  • Onvoldoende pijnstilling: het kan voorkomen dat de verdoving bij u onvoldoende werkt. Soms kan de anesthesioloog nog wat extra verdoving bijgeven. In andere gevallen is het beter om voor een andere anesthesievorm te kiezen, bijvoorbeeld narcose. De anesthesioloog zal dat met u overleggen;
  • Postoperatieve tintelingen: door irritatie van de zenuwen door de prik of door de gebruikte medicijnen kunt u nadat de verdoving is uitgewerkt nog enige tijd last houden van tintelingen in de arm en de hand. Deze tintelingen verdwijnen in de meeste gevallen in de loop van weken tot maanden vanzelf;
  • Overgevoeligheidsreacties: overgevoeligheid voor de gebruikte verdovingsmiddelen komt soms voor. Dit kan zich uiten in benauwdheid, huiduitslag, lage bloeddruk. Behandeling is meestal goed mogelijk;
  • Toxische reacties: de zenuwen die verdoofd moeten worden, lopen vlakbij grote bloedvaten. Het is mogelijk dat er verdovend medicijn direct in de bloedbaan komt. Dat uit zich in een metaalachtige smaak, tintelingen rond de mond, een slaperig gevoel, hartritmestoornissen, trekkingen en uiteindelijk bewusteloosheid. Behandeling is meestal goed mogelijk.

Zie ook voorlichtingsfilms nummer 2, 3 en 4 over regionale anesthesie. Op de voorlichtingsfilms kunt u zien hoe regionale anesthesie in zijn werk gaat.

Lokale anesthesie

Deze vorm van anesthesie wordt toegepast bij kleine ingrepen. U krijgt een prik dicht bij de te behandelen plaats.
Het is niet noodzakelijk dat de anesthesioloog deze prik geeft, vaak doet de behandelende chirurg dat zelf. Hierbij wordt een klein stukje huid “plaatselijk” verdoofd om bijvoorbeeld een wond te hechten. Oogoperaties worden vaak onder plaatselijke verdoving uitgevoerd.

Sedatie

Wanneer u in het Waterlandziekenhuis een uitgebreid onderzoek en/of behandeling ondergaat, kan het zijn dat dit onderzoek/deze behandeling plaatsvindt onder sedatie. Sedatie betekent letterlijk het verlagen van het bewustzijn van een patiënt. Dit gebeurt door middel van toediening van geneesmiddelen via een klein infuusnaaldje in een ader van uw hand of arm. Sedatie zorgt er in het algemeen voor dat u een onplezierig onderzoek of behandeling als acceptabel ervaart.

Meer informatie over sedatie kunt u lezen in de Sedatie.

Welke vorm van verdoving is voor u geschikt?

De anesthesioloog overlegt met u welke vorm voor u de beste is. De keuze hangt af van verschillende factoren, zoals uw leeftijd, lichamelijke conditie en het soort operatie. Uw eigen wensen kunt u voorleggen aan de anesthesioloog die daarmee rekening houdt bij de beslissing over het soort anesthesie. Het kan zijn dat de anesthesioloog u voorstelt narcose te combineren met een ruggenprik. Het voordeel daarvan is de mogelijkheid om na de operatie een betere pijnstilling te geven.

Veilig
Bijna iedereen ziet op tegen een operatie of voelt zich onzeker. Uw artsen en verpleegkundigen zijn hier aan gewend en kunnen u geruststellen.

Door verbetering van de bewakingsapparatuur, het beschikbaar komen van moderne geneesmiddelen en door een goede opleiding van de anesthesioloog en anesthesiemedewerkers is anesthesie tegenwoordig zeer veilig. Ondanks alle zorgvuldigheid zijn complicaties niet altijd te voorkomen. Zo kunnen er allergische reacties op medicijnen optreden. Bij het inbrengen van het beademingsbuisje kan uw gebit worden beschadigd. En door een ongelukkige houding tijdens de operatie kan een zenuw in de arm of het been beklemd raken, waardoor tintelingen en krachtverlies kunnen blijven bestaan.

Het optreden van ernstige complicaties door de anesthesie is vrijwel altijd te wijten aan een calamiteit, of het hangt samen met uw gezondheidstoestand voor de operatie. Vraag uw anesthesioloog gerust of de anesthesie in uw geval bijzondere risico’s met zich meebrengt.

Voorbereiding

Anesthesiespreekuur / Preoperatieve poli
Voor uw operatie bezoekt u het anesthesiespreekuur op de preoperatieve poli.

Een bezoek aan de preop poli duurt gemiddeld één uur. U krijgt hier een gesprek met een apothekersassistent over eventueel medicijngebruik en u dient een vragenlijst in te vullen op de computer. Daarnaast wordt uw gewicht, lengte, bloeddruk, pols en saturatie gemeten. Vanaf een leeftijd van 60 jaar en op indicatie wordt een ECG gemaakt (hartfilmpje) en u krijgt een gesprek met de anesthesioloog en de verpleegkundige.

De anesthesioloog bespreekt met u welke soort anesthesie voor u het beste is en of er nog aanvullend onderzoek nodig is. Uiteraard kunt u zelf vragen stellen aan de anesthesioloog. De anesthesioloog die u dan spreekt, is niet altijd dezelfde anesthesioloog die u tijdens uw operatie verdooft en begeleidt.

Het is heel belangrijk dat de anesthesioloog op de hoogte is van uw ziektegeschiedenis, gezondheidstoestand, allergieën en medicijngebruik. Ook wil hij weten of u een kunstgebit, loszittende tanden of kronen heeft. Er kan dan extra zorg aan uw gebit worden besteed. Dit kan schade, bijvoorbeeld bij onverwachte bewegingen, voorkomen.

De anesthesioloog bepaalt niet op welke datum u geopereerd wordt. Hij weet ook niet hoe lang de wachttijd voor uw operatie is. Dit wordt door de afdeling opname gepland.

Voorbereiding thuis op de operatiedag
De algemene regel is dat u minimaal zes uur voor uw operatie nuchter blijft. Dit voorkomt dat u tijdens of na de operatie moet overgeven. Nuchter zijn betekent: niet eten en niet drinken. Uitzondering hierop is dat u tot twee uur voor de operatie met mate water en thee zonder melk mag drinken. Van de afdeling opname hoort u het tijdstip dat u nuchter moet zijn. Als u medicijnen (bijvoorbeeld bloedverdunners) gebruikt, krijgt u van de anesthesioloog te horen welke u kan blijven gebruiken en welke niet.

Voorbereiding op de verpleegafdeling

Op de afdeling bereidt de verpleegkundige u voor op de operatie. U krijgt een operatiejasje aan. Verder vragen wij u uw kunstgebit, gehoorapparaat, bril, sieraden en contactlenzen te verwijderen.

U wordt gevraagd geen make-up en nagellak te dragen. Overleg zonodig met de verpleegkundige of kostbaarheden op een veilige plaats bewaard kunnen worden. Bij een ruggenprik kunt u uw bril en gehoorapparaat blijven dragen. Afhankelijk van de operatie, onthaart de verpleegkundige de plaats van behandeling.

Voor de meeste operaties krijgt u medicijnen ter voorbereiding op de verdoving, zoals tabletten en een injectie. U kunt hier slaperig van worden en een droge mond van krijgen.

De verpleegkundige brengt u in uw bed naar de operatieafdeling. Daar ziet u de anesthesioloog en de assistent.

Roken
Het is verstandig in de uren voor de operatie niet te roken. De ademhalingswegen van rokers zijn vaak geïrriteerd en daardoor gevoeliger voor ontstekingen. Bovendien kan hoesten na de operatie erg pijnlijk zijn.

Tijdens en na operatie

Op de operatiekamer
De verpleegkundige/brancardier rijdt u in uw bed naar het operatiekamercomplex. Hier wordt u ontvangen door een anesthesiemedewerker. U stapt over op een smaller en harder operatiebed. De anesthesiemedewerker brengt u naar de operatiekamer. U krijgt een infuusnaaldje ingebracht; soms wordt hierdoor vocht toegediend.

Op de operatiekamer sluit de anesthesiemedewerker u aan op de bewakingsapparatuur. Hiermee wordt tijdens de operatie uw ademhaling, bloeddruk, hartslag en zuurstofconcentratie in het bloed bewaakt.

Uitslaapkamer
U wordt wakker op de uitslaapkamer (verkoever), waar gespecialiseerde verpleegkundigen uw toestand in de gaten houden. Zij hebben steeds overleg met de anesthesioloog. Als de pijnstillende werking van de verdoving afneemt, kunt u aan de verpleegkundige iets vragen tegen de pijn. Hetzelfde geldt voor wanneer u zich misselijk voelt. De anesthesioloog heeft precies opgegeven wat u op dat moment mag hebben.

Ook hier bent u aangesloten op de bewakingsapparatuur. U heeft een infuusnaaldje, meestal in uw hand of arm. U heeft nauwelijks last van zo’n infuus. Als de arm stijf wordt, dan kunt u hem gerust bewegen. Vooral het op en neer bewegen van de vingers geeft vaak al een opgelucht gevoel.

Schrik niet als u een slangetje in uw neus heeft. Alle patiënten krijgen na de operatie extra zuurstof toegediend.

Terug naar de verpleegafdeling
Wanneer uw toestand stabiel is, mag u van de uitslaapkamer af. Een verpleegkundige van de afdeling haalt u op en brengt u terug naar uw kamer. Soms is het nodig de patiënt intensiever te bewaken. In dat geval gaat u naar de Intensive Care afdeling. Als dit bij u het geval is, bespreekt uw arts dit voor de operatie met u. Zowel op de Intensive Care als op de verpleegafdeling kunt u bezoek ontvangen.

Dagbehandeling
Als u dezelfde dag naar huis mag, zorg er dan voor dat u door een volwassene begeleid wordt en dat u niet alleen thuis bent. Regel vervoer per taxi of eigen auto, maar rijd zelf niet! Doe het thuis de eerste 24-uur na de operatie rustig aan. Bestuur geen machines. Neem geen belangrijke beslissingen. Eet en drink licht verteerbare voedingsmiddelen.

Het is heel gewoon dat u zich na een operatie nog een tijdlang niet fit voelt. Dit ligt niet alleen aan de anesthesie, maar aan de ingrijpende gebeurtenis die iedere operatie nu eenmaal is. Het lichaam moet zich in zijn eigen tempo herstellen. Dit heeft tijd nodig.

Bijwerkingen
Anesthesie kan bijwerkingen geven. De meeste bijwerkingen zijn binnen enkele dagen weer verdwenen. Zie voor bijwerkingen de informatie onder algehele anesthesie en regionale anesthesie.

Rijvaardigheid
Verdovingsmiddelen beïnvloeden de rijvaardigheid. Dit geldt zowel voor een algehele anesthesie als na een ruggenprik. U wordt geadviseerd om de eerste 24-uur niet aan het verkeer deel te nemen.

Nazorg
Wanneer u last heeft van bijwerkingen tijdens uw verblijf in het ziekenhuis, vertelt u dit dan aan een verpleegkundige. Vooral bij pijn is het belangrijk dat u niet te lang wacht met het vragen om een pijnstiller aan de verpleegkundige. De pijn is dan beter te bestrijden.

Als u uw klachten niet vertrouwt, na ontslag uit het ziekenhuis, neem dan contact op met de verpleegafdeling waar u verzorgd bent.

Kind en narcose

Conditie en vaccinatie
Binnenkort wordt uw kind geopereerd. Uw kind dient hiervoor in een zo goed mogelijke conditie te zijn voor de ingreep. Daarom vragen wij u om extra aandacht te geven aan de onderstaande punten:

  • Is uw kind erg verkouden of grieperig?
  • Heeft uw kind een kinderziekte op de, voor de behandeling afgesproken dag of is uw kind in contact geweest met iemand met een kinderziekte?
  • Is de temperatuur op de dag van de ingreep 38 graden of hoger?
  • Heeft uw kind kort voor de operatie een vaccinatie gehad? Na een vaccinatie kan uw kind beter geen ingreep onder anesthesie ondergaan. Aangeraden wordt om een aantal dagen te wachten:
    2 dagen na: D(K)TP (difterie, kinkhoest, tetanus, poliomyelitis), HIB (haemophilus influenzae B), MenC (meningococcen), aK (acellulair kinkhoest), Hepatitis A, Hepatitis B, Pneumococcen
    14 dagen na: BMR (bof, mazelen, rode hond)

Wanneer een van de genoemde punten het geval is, kunt u het beste zo snel mogelijk contact opnemen met de Kinderafdeling of de afdeling waar uw kind wordt opgenomen. In overleg met de anesthesioloog wordt dan beoordeeld of de operatie door kan gaan. U bespaart uzelf en uw kind hierdoor mogelijk een onnodig bezoek aan het Waterlandziekenhuis. Wordt besloten dat de operatie niet doorgaat, dan wordt de behandelend specialist hierover geïnformeerd. Indien mogelijk wordt zo spoedig mogelijk een nieuwe afspraak met u gemaakt.

Aandachtspunten
Astmatische kinderen met longmedicatie (pufjes) dienen deze medicatie in te nemen op de dag van de operatie. Na inname van de longmedicatie mag er niet meer gedronken te worden. Natuurlijk mag er wel nagespoeld worden indien dit nodig is.

Volg het advies omtrent het nuchter beleid strikt op.

Voorlichting
Om u en uw kind zo goed mogelijk voor te bereiden zijn er wekelijks voorbereidingsbijeenkomsten voor zowel ouders als kinderen. Uitgebreide informatie over voorbereiding op de OK staat op de website van de Kinderafdeling onder Kinderdagbehandeling.

Angst voor een prikje
Kleine kinderen zijn vaak bang voor een prikje. Zij worden veelal in slaap gemaakt door hen via een kapje te laten ademen, waaruit een narcosegas stroomt. Overigens is het ook mogelijk de huid te verdoven met een zalf waardoor een prikje nauwelijks wordt gevoeld.

Kinderen die voor sluderen komen (keel- en/of neusamandelen verwijderen en het plaatsen van buisjes in de oren) worden altijd in slaap gemaakt via een kapje.

Kinderen mogen altijd een knuffel meenemen die bij ze blijft totdat ze onder narcose zijn. Bij KNO-ingrepen en geplande opnamen tussen 7.30 – 16.00 uur mag één van de ouders/verzorgers ook bij het kind blijven als het onder narcose gaat en weer in de uitslaapkamer als het kind wakker is. Als het kind weer wakker wordt, is ervoor gezorgd dat de knuffel ook weer bij uw kind is.

Bijwerkingen
Anesthesie kan bijwerkingen geven. De meeste bijwerkingen zijn binnen enkele dagen weer verdwenen. Zie voor bijwerkingen de informatie onder algehele anesthesie en regionale anesthesie.

Nazorg
Wanneer uw kind last heeft van bijwerkingen tijdens het verblijf in het ziekenhuis, vertelt u dit dan aan een verpleegkundige. Vooral bij pijn is het belangrijk dat u niet te lang wacht met het vragen om een pijnstiller aan de verpleegkundige. De pijn is dan beter te bestrijden. Als u de klachten niet vertrouwt, na ontslag uit het ziekenhuis, neem dan contact op met de verpleegafdeling waar uw kind verzorgd is.

Smiley
De Kinderafdeling en de Dagbehandeling hebben van de Vereniging Kind en Ziekenhuis twee Smiley’s ontvangen omdat de afdelingen zich positief onderscheiden door hun voorzieningen voor kinderen en hun ouders.
De Smiley is een kwaliteitskeurmerk en geeft aan dat de zorg op de afdeling waarvoor de Smiley is toegekend, voldoet aan alle criteria dat de Vereniging Kind en Ziekenhuis daaraan stelt.

Literatuur
Voor kinderen vanaf 2 jaar:

  • Nijntje in het ziekenhuis door Dick Bruna;
  • Karel in het ziekenhuis door Liesbeth Slegers;
  • De wereld van Hopla – het ziekenhuis door Bert Smets.

Voor kinderen vanaf 4 jaar:

  • De operatie van kleine olifant door Jose Boone;
  • Lucas en de slaapdokter door S. Boonen en B. Vangehuchten.

Bovenstaande boekjes zijn veelal verkrijgbaar in de bibliotheek of te koop in de boekhandel.

Patiënteninformatie

Sedatie
brochure Anesthesie
www.ondernarcose.nl

Voorlichtingfilms anesthesie
Op de voorlichtingsfilms kunt u zien hoe de verschillende soorten anesthesie in zijn werk gaan. Het betreft de volgende anesthesiefilms:

  • Film 1: algehele anesthesie met aanvullende maatregelen
  • Film 2: epidurale anesthesie
  • Film 3: spinale anesthesie
  • Film 4: axillaire plexusanesthesie
  • Film 5: algehele anesthesie

Ga naar de pagina met voorlichtingsfilms anesthesie

Specialisten

  • Dhr. J. Bohncke

    Dhr. J. Bohncke

    Opleiding:   Geneeskunde en specialisatie aan de Vrije Universiteit Amsterdam

    Aandachtsgebied:   Pijnspecialist

    Verbonden aan het WLZ sinds juli 2016

    Ik ben geboren in Amsterdam, heb mijn studie gedaan in Amsterdam en woon sinds oktober 2016 weer in Amsterdam, ‘mijn stad’.

    Bij algemene anesthesiologie is het de uitdaging om de patiënt te laten slapen tijdens een operatie, waardoor hij/zij niets mee krijgt van de operatie. De patiënt mag pas wakker worden op de uitslaapkamer met zo min mogelijk pijn.
    De hele dag pijn hebben, ontwricht de mens in zijn hele wezen. De consequenties zijn enorm voor zijn welbevinden, sociale relaties, vitaliteit, kortom: zijn kwaliteit van zijn leven én dat van zijn omgeving. Mijn uitdaging is om er voor te zorgen dat het leven weer een stuk aangenamer wordt door middel van invasieve behandelingstechnieken dan wel uitgebalanceerde medicatie.

     

    Sluiten
     
  • Dhr. P. Dijkhuizen

    Dhr. P. Dijkhuizen

     
  • Dhr. A.P. Schipper

    Dhr. A.P. Schipper

     
  • Dhr. J.S. de Jong

    Dhr. J.S. de Jong

     
  • Dhr. J.P. van Roy

    Dhr. J.P. van Roy

     
  • Mw. E.J. Ravensbergen

    Mw. E.J. Ravensbergen

     
  • Mw. K.P. Mayland

    Mw. K.P. Mayland

     
  • Mw. F.M. Lemckert-de Jong

    Mw. F.M. Lemckert-de Jong

     
  • Mw. H.H.A. Lecluse

    Mw. H.H.A. Lecluse

     
  • Mw. M. van der Horst

    Mw. M. van der Horst

     
  • Dhr. dr. J.P. Hering

    Dhr. dr. J.P. Hering

     
  • Dhr. L.F. Gabel

    Dhr. L.F. Gabel

     
  • Dhr. R. van Beek

    Dhr. R. van Beek

     
  • De heer J. (Jos) Keijer (PA)

    De heer J. (Jos) Keijer (PA)

    Physician assistent
    Een Physician Assistent(PA) is een assistent van de anesthesiologen. Een PA mag hij beoordelen en onderzoeken uitzetten.

    Sluiten
     
  • De heer P.E. Heun

    De heer P.E. Heun

    Anesthesioloog

    Sluiten
     
  • Mevrouw I. Ptackova

    Mevrouw I. Ptackova

    Aanwezig:

    Maandag: poli *
    Dinsdag: poli *
    Woensdag: poli *
    Donderdag: poli *
    Vrijdag: poli *

    *) een van de anesthesiologen

    Sluiten
     
  • De heer G.O. Navis

    De heer G.O. Navis

    Aanwezig:

    Maandag: poli*
    Dinsdag: poli*
    Woensdag: poli*
    Donderdag: poli*
    Vrijdag: poli*

    * door één van de aanwezige anesthesiologen

    Sluiten
     
  • De heer C. Hengstman

    De heer C. Hengstman

    Aanwezig:

    Maandag: poli*
    Dinsdag: poli*
    Woensdag: poli*
    Donderdag: poli*
    Vrijdag: poli*

    * door één van de aanwezige anesthesiologen

    Sluiten
     
  • De heer P. La Guardia

    De heer P. La Guardia

    Aanwezig:

    Maandag: poli*
    Dinsdag: poli*
    Woensdag: poli*
    Donderdag: poli*
    Vrijdag: poli*

    * door één van de aanwezige anesthesiologen

    Sluiten
     

Physician assistent
Een Physician Assistent(PA) is een assistent van de anesthesiologen. Een PA mag hij beoordelen en onderzoeken uitzetten.